Wat is niet-gepaste zorg?

Niet-gepaste zorg is zorg, zoals diagnostische verrichtingen en therapeutische ingrepen, waarvan bewezen is dat deze weinig of geen toegevoegde waarde voor de patient heeft en daardoor onnodig de patiënt belast, risico's oplevert en geld kost. Of zorg niet-gepast is hangt ook af van de beschikbare alternatieven en de voorkeur van de patiënt. Internationaal wordt de term ‘low-value care’ gebruikt.

Wat zijn voorbeelden van niet-gepaste zorg?

Zorgverleners willen zorg van goede kwaliteit leveren die past bij de situatie van de patiënt. Daarbij proberen zij optimaal gebruik te maken van het best beschikbare wetenschappelijke bewijs en hun eigen klinische ervaring. Ondanks dit streven naar goede zorg is bekend dat een deel van de zorg niet passend is. Er zijn veel verschillende situaties en oorzaken waardoor zorg geen toegevoegde waarde kan hebben. Hieronder een greep:

  • Zorg waarvan we weten dat het geen toegevoegde waarde heeft in vrijwel alle situaties, bijvoorbeeld het routinematig scheren van lichaamsbeharing voor een operatie.
  • Zorg die voor een deel van de patiënten helpt maar voor een ander deel niet, bijvoorbeeld bepaalde vormen van chemotherapie.
  • Zorg die in beginsel effectief was, maar waarmee te lang wordt doorgegaan, bijvoorbeeld langdurig gebruik van antidepressiva of een urinekatheter.
  • Zorg die te snel is ingezet en waarbij beter afgewacht had kunnen worden omdat er een grote kans is dat de klachten vanzelf over zouden zijn gegaan, bijvoorbeeld een gastroscopie bij beginnende maagklachten.
  • Zorg die dubbel of niet efficient wordt geleverd en daardoor minder waarde heeft, bijvoorbeeld een tweede keer dezelfde MRI scan na doorverwijzing.
  • Zorg die medisch gezien juist is, maar niet past bij de wensen en voorkeuren van de individuele patient, bijvoorbeeld een knieoperatie terwijl de patient fysiotherapie prefereert.

Hoe komt het dat niet-gepaste zorg voorkomt?

Veel verschillende factoren kunnen een rol spelen bij het doen of laten van niet-gepaste zorg. Onder meer omdat het voor zorgverleners lastig is te bepalen bij welke groepen patiënten en op welk moment een bepaald type zorg niet-gepast is. Ook als we wel weten dat de zorg niet-gepast is, is het vaak moeilijk om hiermee te stoppen. Dit komt onder andere doordat ons zorgstelsel gericht is op ‘doen’; zorgverleners worden bijvoorbeeld betaald voor ‘handelen’ en niet voor ‘niets doen’. Ook komt dat doordat een gesprek over mogelijk afzien van behandeling meestal meer tijd kost dan een concreet behandelvoorstel te doen. Voor zorgverleners is het soms lastig om met patiënten te praten over wat niet (meer) zinvol is, zeker als patiënten hoge verwachtingen hebben van de eventuele behandeling.